Het verhaal van de oude lindes van Frieswijck.
Er was eens een wijze oude vrouw Geessien, en ze woonde lang geleden in het koninkrijk Frieswijck. Ze had in haar tuin twee lindes staan waarvan de neerhangende takken met zilvergroene bladeren waren bedekt. Zij was bijzonder trots op deze bomen, en zij vergat nooit haar bezoekers er op te wijzen. "Zijn het geen schoonheden?" zei ze dan. "Hebben jullie ooit zulke prachtbomen gezien?"
De bezoekers keken er vol bewondering naar, schudden hun hoofd en zeiden dat zij de eerste boom die deze lindes overtroffen, nog moesten zien.
Op een gegeven moment werd de man van de wijze vrouw ernstig ziek. Geen enkele dokter in het koninkrijk kon de aard en de oorzaak van zijn ziekte vaststellen. Even later struikelde haar zoontje over een boomstronk en brak zijn rechterbeen. Geessien vroeg zich bezorgd af of dit misschien aan de kwade invloed van de lindenbomen was te danken. Voor alle zekerheid besloot ze de bomen te kappen en zij sprak er met haar buurman, de oude Wieger over.
"Nee, doe dat alsjeblieft niet!" meende deze. "Het is zonde van zo'n mooie boom. Verkoop ze aan mij; ze zullen een sieraad voor mijn tuin zijn."
Geessien ging ermee akkoord en met de nodige voorzorgen werden de lindes overgeplant naar de tuin van haar buurman. De bomen pasten zich hier wonderlijk goed aan en groeiden nog eens zo hard.
Wieger was weduwnaar en had geen kinderen. Toen hij op een morgen door zijn tuin wandelde, zag hij onder de lindes een vrouw van uitzonderlijke schoonheid staan. Hij vroeg zich af hoe die vrouw daar zo ongemerkt was gekomen en wie zij was. Niettemin groette hij haar beleefd en nodigde haar uit bij hem een kop thee te drinken. Dit nam zij graag aan en zij volgde hem naar binnen. Zij praatten honderd uit en Wieger moest bekennen dat hij nog nooit zo'n verstandige en charmante vrouw had ontmoet. Na het derde kopje thee vroeg de vrouw - ze heette Claar - hem ineens of hij er niet voor voelde met haar te trouwen. Nu, daar keek de oude Wieger wel even van op, maar hij overdacht tegelijkertijd dat de kans om te hertrouwen voor zo'n oude vrijgezel vrij gering was en nam het aanbod dus met beide handen aan. Niet lang daarna trouwden Wieger en Claar in de kerk van Schalkhaar, een Frieswijcks heiligdom dat een eeuwenoud, eikenhouten beeld van de heilige Maria bevatte. Op het huwelijksfeest waren niet alleen talrijke wijze en oude mensen aanwezig, maar ook de koning van Frieswijck, en de bisschop en zeven priesters.
Binnen het jaar schonk Claar de oude Wieger een dochter, die zij Linde noemden. De familie leefde enkele jaren in voorspoed en geluk, en dit had tot het einde van hun leven kunnen duren, wanneer er niet iets bijzonders was gebeurd.
In de kerk van Schalkhaar waren na een verschrikkelijke storm twee pilaren ingestort. De koning van Frieswijck overlegde met de bisschop en zijn priesters wat er aan gedaan moest worden. Iedere priester had er zijn eigen mening over, maar de bisschop zei dat de pilaren alleen maar hersteld konden worden door de stammen van twee lindes. De koning vroeg of de lindes van Wieger niet geschikt waren, maar de bisschop meende dat men eerst de omvang en de hoogte moest meten. Dat gebeurde en de bisschop liet de koning weten dat deze bomen geschikt waren bevonden. De koning gaf toen bevel de lindes te kappen. Ofschoon het Wieger aan het hart ging, moest hij buigen voor de wil van zijn heer en meester.
Toen zijn vrouw het nieuws vernam, werd zij bleek en kreeg tranen in haar ogen. "Je hebt mij nog nooit gevraagd waar ik vandaan kwam," zei Claar met een treurige stem. "Ik heb dit geheim altijd willen bewaren, maar nu moet ik het je wel vertellen: ik ben de ziel van de twee lindes! Toen je indertijd jouw buurman ervan weerhouden hebt mij om te kappen en toen je mij in jouw tuin hebt overgeplant, was ik zo dankbaar dat ik besloot met je te trouwen om nog dichter bij je te zijn. Nu weet ik dat ik moet sterven, omdat jij je niet mag verzetten tegen de wil van je koning. Het zal mij heel moeilijk vallen van je te scheiden, maar het beste dat ik bezit, laat ik bij jou achter: onze kleine oogappel Linde. Zij zal je vertroosten, wanneer ik er niet meer ben."
Toen Wieger deze woorden hoorde, spoedde hij zich meteen naar de koning en smeekte hem de boom, die op zo'n geheimzinnige wijze met zijn leven verbonden was, te willen sparen. Vergeefs, want de koning die bang was de bisschop te mishagen, weigerde pertinent zijn beslissing te herroepen. Op een morgen meldde zich een groep houthakkers die Wieger mededeelden dat zij op hoog bevel de opdracht hadden de lindes in zijn tuin te kappen.
"Wacht nog even!" zei Wieger, "ik heb zojuist een verzoek aan de keizer gericht om de boom te sparen." De houthakkers schenen er geen aandacht aan te schenken en togen meteen aan het werk. Toen Wieger de eerste bijlslagen hoorde, snelde hij naar Claar en omhelsde haar. Maar zij maakte zich uit zijn omarming los en vloog naar de lindes, waarin zij verdween. Wieger volgde haar en zag dat de lindes met een zware plof op de grond vielen.
De houthakkers probeerden de stam weg te slepen, maar zij konden er geen beweging in krijgen. Zij waarschuwden de priesters die even later arriveerden, gevolgd door een schare gelovigen, wel driehonderd in getal. Zij bevestigden zware touwen aan de stammen en trokken er met alle macht aan, maar de bomen weken geen centimeter van hun plaats. Zelfs rollen over de inderhaast aangevoerde dunne stammetjes wilden de lindes niet: de bomen leken nog zwaarder dan graniet.
Op dat moment kwam Linde naar buiten, liep naar de stam toe en streelde de zilvergroene bladeren. Ze ging tussen de twee stammen staan en greep met beide handen een uitstekende tak en zei: "Kom!" Ze trok aan de takken en de stammen gleden over de grond of ze zo licht als een veertje waren! Voortgetrokken door het handen van het meisje lieten de zware stammen zich gewillig naar de tempel brengen. Daar stonden al honderden timmerlieden klaar om de bomen te bewerken en op de plaats waar de ingestorte zuilen gestaan hadden, neer te zetten.
Zo werd de kerk van Schalkhaar weer in zijn oude luister hersteld, en Wieger, hoewel hij nog lang over het verlies van zijn vrouw treurde, kon er uiteindelijk vrede mee hebben, omdat hij wist dat de ziel van zijn vrouw een hogere bestemming had gekregen.